Onderzoek naar wildvraat

De laatste updates vanuit het Park

Het Park streeft naar gezonde bossen met een hoge biodiversiteit. Daarbij is het de uitdaging om een goede balans te vinden tussen grote hoefdieren, bomen en andere organismen. Om de juiste maatregelen te kunnen nemen, is het belangrijk om in kaart te brengen wat het effect van grote hoefdieren is op (jonge) bomen.

vr 02 jan 2026

Grote hoefdieren zoals edelherten, reeën en wilde zwijnen horen bij het ecosysteem en dragen bij aan een natuurlijk landschap. Tegelijkertijd hebben deze dieren een grote invloed op bossen en andere natuurtypen. Door te eten van jonge bomen en planten – wildvraat genoemd – bepalen zij mede welke soorten wel en welke niet de kans krijgen om te groeien en het latere bos te vormen. Onderzoek naar wildvraat is daarom belangrijk om de balans tussen dieren, planten en biodiversiteit te bewaken.

Sleutelrol voor loofbomen 

Het Park streeft naar gevarieerde en vitale bossen met verschillende boomsoorten, leeftijden en een rijke ondergroei van struiken en kruiden. Die variatie is belangrijk voor insecten, vogels en andere dieren. Loofbomen spelen daarin een sleutelrol: hun bladeren verbeteren de bodem en bieden voedsel en leefruimte aan veel organismen.
Als er te veel hoefdieren in een gebied leven, ontstaat een te hoge graasdruk. Vooral jonge loofbomen zoals lijsterbes en vuilboom zijn aantrekkelijk voedsel. Ze worden vaak herhaaldelijk aangevreten, waardoor ze niet verder kunnen groeien, geen zaad kunnen zetten en uiteindelijk zelfs verdwijnen.
Ook het wroeten van wilde zwijnen kan invloed hebben: dit kan positieve effecten hebben, maar te veel wroeten leidt tot schade aan planten en bodem.  

Verschillende methoden

Onderzoek helpt om vast te stellen hoe hoog de graasdruk is. Het onderzoek naar wildvraat gebeurt op verschillende manieren. Sinds 2011 monitort het Park samen met Wageningen University & Research de vraat aan de topscheuten van bomen. De top is cruciaal voor de groei van een boom. Als die steeds wordt afgebeten, blijft de boom struikachtig of sterft hij af. Door deze metingen elk jaar te herhalen, ontstaat een duidelijk beeld van veranderingen door de tijd.

Een andere onderzoeksmethode maakt gebruik van exclosures: kleine afgezette stukken bos waar hoefdieren niet bij kunnen. Door deze plekken te vergelijken met de omliggende, open, gebieden wordt zichtbaar wat het effect van begrazing is. Vaak blijken binnen de rasters meer boomsoorten, struiken, kruiden en zelfs schimmels te groeien dan daarbuiten.
Ook moderne technieken spelen een rol. Cameravallen leggen vast welke dieren waar en wanneer actief zijn. Dit helpt om het gedrag, de routes en het gebruik van bepaalde gebieden beter te begrijpen, zonder de dieren te verstoren.

Van onderzoek naar beheer

De resultaten van deze onderzoeken gebruiken we om het natuurbeheer bij te sturen. Dat kan variëren van het tijdelijk afsluiten van gebieden en het plaatsen van rasters tot het aanpassen van de wildstand. Zo draagt onderzoek naar wildvraat bij aan gezonde, gevarieerde en toekomstbestendige bossen in het Park.

Interessant voor jou