De dode bomen zijn allemaal Amerikaanse vogelkersen. Ook wel bekend als de prunus. Tussen november en april zijn op sommige percelen in het bos nagenoeg alle prunussen weggehaald. Dit heeft meerdere redenen.
De voornaamste reden is zichtbaar in een stukje bos vlak naast een ‘leeg’ perceel. Hier is de prunus niet weggehaald. “Het bos lijkt hier een stuk voller. Maar dat is allemaal prunus. Die heeft ontzettend veel blad, waardoor het zonlicht niet op de bodem komt. Hierdoor groeit er niks onder de prunus”, zegt beleidsmedewerker Annemieke Visser. “Tegelijkertijd zijn de bladeren makkelijk te verteren en goed voor het bodemleven.”
Op de percelen waar de prunus is gerooid, zijn de dode bomen blijven liggen. Dat oogt misschien rommelig, maar dient wel een doel. “Op die manier kan het verteren en komen de grondstoffen die in de takken en de stam van de prunus zitten, weer terug in de bodem. Daarom hebben we ervoor gekozen om het te laten liggen”, aldus Visser.
Prunuslijken 'natuurlijke wildbescherming'
En het heeft nog een andere reden. Want verscholen tussen de vele takken van die ‘prunuslijken’, bevinden zich jonge bomen. Sommige zijn geplant, anderen natuurlijk gegroeid. “Het idee is dat we willen kijken of in die bescherming van de takken de bomen die we willen hebben, zoals de berk, eik, lijsterbes of vuilboom, hier tot ontwikkeling kunnen komen.”
Het zijn die bomen, de soorten die als lekker worden beschouwd door het wild, die al op vrij jonge leeftijd worden aangevreten en dat overleven ze niet. “Eigenlijk is dit een natuurlijke wildbescherming”, aldus Visser. “Je zou een raster kunnen plaatsen, maar dat wil je niet overal doen dus het is geweldig als dit soort natuurlijke situaties benut kunnen worden.”
Of het genoeg is, blijft nog even spannend. “We zeggen meestal dat plantjes boven de vraatgrens zitten als ze 1,60 meter hoog zijn”, aldus Visser. “Alle kluiten en takken van die dode prunussen lijken heel hoog, maar in de loop van de tijd gaan al die twijgjes verteren en breekt er hier en daar wat af, waardoor het lager gaat worden. Het is de vraag wat er gaat gebeuren als de boompjes boven de dode bomen uit gaan komen.”
Overigens zijn niet alleen die boompjes die nu tussen de dode prunussen groeien, een lekkernij voor dieren. Ook de prunus zelf staat soms op het menu. “Uit onderzoek weten we dat er op het Park relatief veel prunus gegeten wordt. Het is dus wat tegenstrijdig, want aan de ene kant worden de soorten gegeten die we graag willen hebben, aan de andere kant worden ook de soorten opgegeten die we liever niet zien en helpt wildvraat juist.”
Bos bestaat uit meerdere lagen
Niet overal in het Otterlose Bos beschermen de dode prunussen toekomstige bomen. Elders gebeurt dat door middel van rasters. Er is duidelijk te zien dat zeldzame soorten als de wilde appel en dalkruid het goed doen binnen door rasters afgezette stukken.
“Een gezond bos is meer dan alleen een verzameling aan bomen”, legt Visser uit. “In een gezond bos heb je lagen. Je hebt kruiden, struiken, jonge bomen en dan de volwassen bomen. Als je veel wild hebt dat daar dingen omwroet, zoals wilde zwijnen, of planten opeet, zoals de herten en reeën, dan zie je het effect daarvan in de lagen onder de volwassen bomen. Daarmee is het bossysteem niet in balans. Vegetatie wordt niet alleen bovengronds gegeten, bijvoorbeeld dalkruid maakt wortelstokken dat smakelijk gevonden wordt door wilde zwijnen.”
Ze vervolgt: “De kruiden en struiken dragen bij aan de biodiversiteit. De kruiden bloeien, daar komen insecten op af en dat is weer goed voor de vogels.”
De komende jaren zal uitwijzen hoe het verwijderen van de prunus en het plaatsen van de rasters bijdraagt aan de verjonging en verrijking van het Otterlose bos.